Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk beschadigen van kozijnen, wanden, vloeren en plafonds in een woning die hij huurde en waarin een hennepkwekerij was gevestigd.
De bewezenverklaring steunde op diverse processen-verbaal, waaronder verklaringen van opsporingsambtenaren en de eigenaar van de woning, die schade en vernielingen aan het pand vaststelden. Het hof concludeerde dat verdachte als enige bewoner verantwoordelijk was voor de vernielingen, mede vanwege zijn aanwezigheid en het feit dat hij hennepplanten in de woning had.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsvoering niet volgt dat verdachte zelf de vernielingen heeft gepleegd. Het hof had onvoldoende gemotiveerd vastgesteld dat verdachte de beschadigingen daadwerkelijk had veroorzaakt, omdat alleen was vastgesteld dat hij in de woning woonde en een hennepkwekerij exploiteerde.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Het overige van het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor het onderdeel vernielingen en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.