Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amstelveen,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de advocaat van eiser aansprakelijk kon worden gehouden voor een onrechtmatige daad jegens de processuele wederpartij, de Sociale Verzekeringsbank (SVB), in verband met het leggen van beslag en het voeren van een procedure.
Het geding in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de kantonrechter te Tilburg en een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad volgde de conclusie van de Advocaat-Generaal en verwierp het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.