Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake poging tot afpersing in vereniging. De verdediging heeft een schriftuur ingediend, maar de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op basis van artikel 80a RO en na het horen van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is uitgesproken door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers op 3 juli 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en onvoldoende gronden.