Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 3 juli 2018.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk wordt behandeld vanwege procedurele tekortkomingen, waardoor de uitspraak van het gerechtshof in stand blijft.
Uitkomst: De betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen van cassatie.