Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Eindhoven,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
29 juni 2018.
Hoge Raad
Betrokkene verbleef met een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis en werd onderworpen aan dwangbehandeling (kamerprogramma) op grond van artikel 38c lid 1 onder b van de Wet Bopz wegens intern gevaar.
De rechtbank Oost-Brabant had eerder een beschikking gegeven waarin de rechtmatigheid van deze dwangbehandeling werd beoordeeld. Betrokkene stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking, waarbij onder meer werd geklaagd over de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro, de reikwijdte van artikel 3 en Pro 5 EVRM, het niet naleven van de wettelijke beslistermijn en de afwijzing van een schadevergoeding.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de dwangbehandeling.