AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepassing standstill-bepaling bij verlengde navorderingstermijn voor beleggingsrekening buiten EU
Belanghebbende hield bankrekeningen aan in Zwitserland waarop inkomsten en tegoeden stonden. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op op basis van een vaststellingsovereenkomst, waarbij inkomsten- en vermogensbelasting over meerdere jaren werd nagevorderd.
Het geschil betrof de vraag of de standstill-bepaling van artikel 64 lid 1 VWEUPro, die beperkingen op het vrije kapitaalverkeer verbiedt, van toepassing is op de verlengde navorderingstermijn van artikel 16 lid 4 AWRPro bij rekeningen buiten de EU. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat deze bepaling wel van toepassing is en dat de Inspecteur de verlengde navorderingstermijn terecht toepaste.
In cassatie werd dit oordeel aangevochten, maar de Hoge Raad volgde het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2017, waarin werd bevestigd dat de standstill-bepaling van toepassing is in een soortgelijke situatie.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag.
Uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 14/00969
2 juni 2017
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X2]te [Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 8 januari 2014, nr. 13/00532, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. AWB LEE 11/1029) betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1.Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 17 december 2014 geconcludeerd tot het verzoeken om een prejudiciële beslissing aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:NL:PHR:2014:2522).
Bij brief van 10 april 2015 heeft de griffier van de Hoge Raad partijen bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond alvorens het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) antwoord zal hebben gegeven op de bij arrest van 10 april 2015 in zaak 14/00528 gestelde prejudiciële vragen.
Het HvJ heeft uitspraak gedaan op die vragen bij arrest van 15 februari 2017, X, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119 (hierna: het arrest van het HvJ van 15 februari 2017).
Belanghebbende en de Staatssecretaris zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 15 februari 2017. De Staatssecretaris heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
2.Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende was gerechtigd tot een aantal bankrekeningen in Zwitserland.
2.1.2.
De in deze procedure bestreden navorderingsaanslag betreft tegoeden op die rekeningen en daarop genoten inkomsten. Op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen belanghebbende en de Inspecteur is bij deze navorderingsaanslag inkomsten- en vermogensbelasting over een reeks jaren nagevorderd.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil of artikel 64, lid 1, VWEU, de zogenoemde standstillbepaling, kan worden ingeroepen bij de beoordeling of toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verenigbaar is met het Unierecht in een geval als het onderhavige, waarin de belanghebbende rekeningen aanhoudt bij banken in Zwitserland. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Belanghebbende kan zich naar ’s Hofs oordeel als gevolg daarvan niet met vrucht beroepen op schending van de vrijheid van kapitaalverkeer. Daarom is de Inspecteur volgens het Hof gerechtigd om de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid van de AWR toe te passen.
2.3.1.
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof.
2.3.2.
Uit het arrest van het HvJ van 15 februari 2017 volgt dat de zogenoemde standstillbepaling in een geval als het onderhavige van toepassing is.
2.3.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt het middel.
3.Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.