De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld over de vraag of de leeftijdsgebonden beperking in artikel 6.30 Wet IB 2001, die een uitgebreidere fiscale aftrek van scholingsuitgaven mogelijk maakt voor belastingplichtigen jonger dan 30 jaar, in strijd is met het discriminatieverbod van Richtlijn 2000/78/EG. Deze zaak volgde op een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat bevestigde dat een dergelijke regeling binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt en onder voorwaarden gerechtvaardigd kan zijn.
De Hoge Raad heeft beoordeeld of het verschil in behandeling op grond van leeftijd objectief en redelijk gerechtvaardigd is door een legitiem doel op het gebied van werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid, en of de middelen passend en noodzakelijk zijn. Het doel van de regeling is het bevorderen van de toegang van jongeren tot opleidingen en het versterken van hun positie op de arbeidsmarkt.
De Hoge Raad concludeert dat de regeling geschikt is om dit doel te bereiken en dat de ruime beoordelingsmarge van de lidstaat niet wordt overschreden. De beperking is passend en gaat niet verder dan noodzakelijk, mede omdat personen vanaf 30 jaar doorgaans al een opleiding hebben gevolgd en een betere financiële positie hebben. Het beroep op het discriminatieverbod faalt daarmee, en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.