Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
11 april 2017.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag in een strafzaak betreffende mishandeling van zijn echtgenote. Namens verdachte is een schriftuur ingediend, welke deel uitmaakt van het arrest.
De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit is omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 11 april 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.