ECLI:NL:HR:2017:605

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
16/03428
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 3 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing gewijzigd samenhangcriterium proceskosten bestuursrecht niet in strijd met rechtszekerheid

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de samenhang van haar zaak met vijf andere zaken in het kader van proceskostenvergoeding. Het geschil betrof een belastingaangifte en de toekenning van proceskosten en rentevergoeding.

De Hoge Raad bekeek of het gewijzigde samenhangcriterium in artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), dat per 1 januari 2015 van kracht werd, ook toepasbaar is op zaken die vóór die datum waren ingesteld. Belanghebbende stelde dat dit terugwerkende kracht heeft en in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat het rechtszekerheidsbeginsel niet vereist dat regelgeving ongewijzigd blijft, maar dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd. Aangezien belanghebbende op het moment van het indienen van het hoger beroep (november 2014) geen gerechtvaardigde verwachtingen kon hebben over proceskostenvergoeding, was toepassing van het nieuwe samenhangcriterium gerechtvaardigd.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte zes zaken als samenhangend had aangemerkt, omdat deze verschillen in wie hoger beroep had ingesteld en welke proceshandelingen waren verricht. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof over de samenhang van de zaken en besloot zelf de proceskosten te regelen.

De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten, en de Inspecteur tot betaling van proceskosten voor het Hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het oordeel van het Hof over samenhang en bepaalt de proceskostenverdeling.

Uitspraak

7 april 2017
nr. 16/03428
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
v.o.f. [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 31 mei 2016, nr. 14/00820, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. AWB 12/3770 en AWB 12/3771) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen en het door belanghebbende gedane verzoek om een veroordeling in de proceskosten en om de toekenning van een rentevergoeding. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.1.
Middel V komt op tegen het oordeel van het Hof dat de onderhavige zaak in hoger beroep met vijf andere zaken samenhangt in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst vanaf 1 januari 2015; hierna: Bpb). Het middel voert onder meer aan dat het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken, Stb. 2014, 411 (hierna: het Wijzigingsbesluit) – dat uitgaat van onmiddellijke werking per 1 januari 2015 – in wezen terugwerkende kracht heeft en daarom wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel buiten toepassing moet blijven.
2.1.2.
Middel V faalt in zoverre. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt niet in dat burgers erop mogen vertrouwen dat regelgeving ongewijzigd blijft (vgl. HR 23 december 2016, nr. 15/02137, ECLI:NL:HR:2016:2829, rechtsoverweging 2.4.2), maar dat hun gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, BNB 2016/122, rechtsoverweging 3.5.1).
Op het tijdstip waarop belanghebbende het hogerberoepschrift indiende (18 november 2014), konden bij haar geen gerechtvaardigde verwachtingen bestaan omtrent de toekenning van een vergoeding van proceskosten. Het Hof heeft terecht de samenhang beoordeeld aan de hand van de per 1 januari 2015 geldende tekst van het Bpb.
2.1.3.
Voor zover middel V betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak in hoger beroep met vijf andere zaken samenhangt, slaagt het. De door het Hof als samenhangend aangemerkte zes zaken verschillen in die zin dat in drie van die zaken de belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld (nrs. 14/0684, 14/0820 en 15/0009), terwijl in de andere drie zaken het de Inspecteur was die hoger beroep heeft ingesteld (nrs. 14/0595, 14/0596 en 14/0597). Naar aanleiding van deze hoger beroepen van de Inspecteur heeft de belanghebbende bij één geschrift een verweerschrift en een incidenteel‑hogerberoepschrift ingediend.
Tussen zaken waarin de belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld en zaken waarin de inspecteur hoger beroep heeft ingesteld, kan geen samenhang in de zin van artikel 3, lid 2, van het Bpb worden aangenomen omdat de belanghebbende in de onderscheiden zaken verschillende proceshandelingen heeft verricht.
2.2.
De middelen I, II, III, IV, en V voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu deze middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
2.3.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 16/03437 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover deze de beslissing omtrent de proceskosten betreft,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1980, derhalve € 990, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een derde van € 990, derhalve € 330, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.