ECLI:NL:HR:2017:538

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2017
Publicatiedatum
30 maart 2017
Zaaknummer
16/01760
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:31 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 was behandeld. De aanslagen betroffen zowel de hoofdsommen als de daarbij opgelegde boetebeschikkingen en heffingsrente.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en beoordeelde de aangevoerde klachten van belanghebbende. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, oordeelde de Hoge Raad dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en sprak het arrest uit in het openbaar op 31 maart 2017, met raadsheer J. Wortel als voorzitter en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren als leden.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

31 maart 2017
Nr. 16/01760
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
Spanje(hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 8 maart 2016, nrs. 14/01131 tot en met 14/01134, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 13/8194 tot en met AWB 13/8197) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2002, 2003 en 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de daarbij gegeven boetebeschikkingen alsmede de beschikkingen inzake heffingsrente, en de voor het jaar 2004 opgelegde aanslag in de IB/PVV.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.