ECLI:NL:HR:2017:503

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2017
Publicatiedatum
27 maart 2017
Zaaknummer
16/01905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 79 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 359 lid 3 Wetboek van StrafvorderingArt. 415 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij hennepteeltzaak

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die was veroordeeld voor het opzettelijk telen en aanwezig hebben van 26 hennepplanten. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €750.

De verdediging voerde aan dat de bewijsvoering onvoldoende was, met name omdat het proces-verbaal meldde dat er geen hennepplanten waren aangetroffen in de kweekruimte, terwijl het rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel sprak over 26 stronken. Dit leidde volgens de verdediging tot een onjuiste en onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring.

De Hoge Raad oordeelde echter dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, hetzij vanwege onvoldoende belang van de verdachte bij het cassatieberoep, hetzij omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president W.A.M. van Schendel en raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink op 10 januari 2017. De schriftuur van de verdediging werd aan het arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en onvoldoende gronden.

Uitspraak

10 januari 2017
Strafkamer
nr. S 16/01905
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 18 maart 2016, nummer 21/003412-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 januari 2017.
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE Zaaknummer: S 16/01905
Parketnummer: 21/003412-14
Namens verzoeker, [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, draag ik het volgende middel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, locatie Leeuwarden uitgesproken op 18 maart 2016 onder parketnummer 21/003412-14
waarbij verzoeker terzake opzettelijk telen en opzettelijk aanwezig hebben van 26 hennepplanten is veroordeeld
tot een geldboete van €750,00.
Middel
Er is sprake van schending van recht en/of verzuim van vormen zoals bedoeld in art. 79 RO Pro, in het bijzonder art. 359 lid Pro 3jo art. 415 Wetboek Pro van Strafvordering.
Het Gerechtshof is op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot de bewezenverklaring gekomen. De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kunnen de bewezenverklaring niet dragen.
Toelichting
Uit de bewijsmiddelen blijkt in het geheel niet dat daadwerkelijk over de bewezenverklaarde periode 26 hennepplanten zijn geteeld en/ of aanwezig zijn geweest. Er worden vier bewijsmiddelen gebezigd. Noch zelfstandig, noch in onderlinge samenhang bezien kunnen deze de bewezenverklaring in voldoende mate dragen.
Bewijsmiddel 1 betreft een proces-verbaal waarin de aangetroffen ‘kweekruimte’ wordt beschreven. Hierin staat opgenomen: “er stonden geen hennepplanten”. Het als bewijsmiddel 4 gebezigde rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel rept over “26 stronken” die zijn aangetroffen. Waardoor deze conclusie wordt onderbouwd blijkt niet uit de bewijsmiddelen.
Terwijl het strafdossier zelf niet spreekt over hennepplanten of aangetroffen stronken wordt voor de bewijsvoering verwezen naar de voordeelsberekening. Hierdoor ontstaat een Kafkaiaanse cirkelredenering binnen de bewijsconstructie en het hierop gebaseerde wederrechtelijk voordeel. Nu kennelijk binnen de strafzaak en het strafrechtelijk onderzoek niet is komen vast te staan dat er gedurende de ten laste gelegde periode 26 planten zijn geteeld en aanwezig zijn geweest, kan dit niet worden bewezen of uit de gebezigde bewijsmiddelen worden geconcludeerd.
De beslissing van het hof op dit punt is derhalve onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, althans niet zonder meer begrijpelijk.
Op grond van voorgaand middel is verzoeker van mening dat het arrest van het Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, locatie Leeuwarden, voor vernietiging en verwijzing danwel terugwijzing in aanmerking komt.