De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de aansprakelijkstelling voor naheffingsaanslagen omzetbelasting van een fiscale eenheid. De fiscale eenheid bestond uit meerdere BV's, waarvan enkele failliet gingen in mei 2012. De Inspecteur stelde belanghebbende aansprakelijk voor de niet-betaalde naheffingsaanslagen over het eerste en tweede kwartaal van 2012.
Het Hof oordeelde dat de aansprakelijkstelling op grond van artikel 43, lid 1, van de Invorderingswet 1990 noodzakelijk is voor de inning van de belastingschulden van een fiscale eenheid, ook al bestond deze niet meer in ongewijzigde vorm ten tijde van de beschikking. Belanghebbende voerde aan dat deze aansprakelijkheid in strijd was met de BTW-richtlijn 2006 en Unierechtelijke beginselen zoals rechtszekerheid en evenredigheid.
De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de wetgever met artikel 43, lid 1, IW een passende maatregel heeft getroffen om de invordering van omzetbelasting te waarborgen. De aansprakelijkheid geldt op het moment dat de belasting verschuldigd is, niet op het moment van de beschikking. Er is geen strijd met Unierecht. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.