ECLI:NL:HR:2017:417

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2017
Publicatiedatum
14 maart 2017
Zaaknummer
15/01565
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SvArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie

De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Een van de middelen betrof het niet voldoen van het proces-verbaal van de terechtzitting aan de eisen van artikel 326 Sv Pro. Na een eerdere uitspraak van de Hoge Raad werd een aanvullend proces-verbaal ingediend dat aan de wettelijke eisen voldeed, waardoor het middel tevergeefs was.

Een ander middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase, doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. De Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding gegrond was, mede omdat de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef en meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden. De overige middelen werden verworpen omdat zij niet tot cassatie konden leiden. De uitspraak werd gedaan op 14 maart 2017 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

14 maart 2017
Strafkamer
nr. S 15/01565
CeH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 11 december 2014, nummer 21/003738-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1.Geding in cassatie

1.1.
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.C. van Linde, advocaat te Groningen, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
1.2.
De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2838 de voorzitter en de griffier van het Hof in de gelegenheid gesteld een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014 op te maken dat voldoet aan de eisen van het eerste en het tweede lid van art. 326 Sv Pro.
Na ontvangst van dit proces-verbaal is de raadsman van de verdachte in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over dit aan het dossier toegevoegde stuk. De raadsman heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en bij aanvullende schriftuur de toelichting op het tweede middel aangevuld.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 en 14 november 2014 niet voldoet aan de eisen van art. 326 Sv Pro.
2.2.
In aanmerking genomen dat het na voormeld arrest ingezonden proces-verbaal voldoet aan de eisen van art. 326 Sv Pro, mist de verdachte belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak.
2.3.
Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

3.Beoordeling van het zesde middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 maart 2017.