Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het zesde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
14 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Een van de middelen betrof het niet voldoen van het proces-verbaal van de terechtzitting aan de eisen van artikel 326 Sv Pro. Na een eerdere uitspraak van de Hoge Raad werd een aanvullend proces-verbaal ingediend dat aan de wettelijke eisen voldeed, waardoor het middel tevergeefs was.
Een ander middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase, doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. De Hoge Raad oordeelde dat deze overschrijding gegrond was, mede omdat de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef en meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de gevangenisstraf van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden. De overige middelen werden verworpen omdat zij niet tot cassatie konden leiden. De uitspraak werd gedaan op 14 maart 2017 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.