ECLI:NL:HR:2017:3267

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2017
Publicatiedatum
22 december 2017
Zaaknummer
17/01922
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:266 lid 1 onder a BWArt. 1:247 lid 2 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag over minderjarig kind bij ontbreken perspectief op terugkeer

De zaak betreft een verzoek tot cassatie van een moeder tegen een beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch die het gezag over haar minderjarige kind beëindigde. De moeder was het niet eens met de beslissing van het hof en stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Het geding in de feitelijke instanties bestond uit een beschikking van de rechtbank Limburg en een daaropvolgende beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De Raad voor de Kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg waren als verweerders betrokken, evenals de pleegouders van het kind.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de moeder niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee de beëindiging van het gezag over het kind wegens het ontbreken van perspectief op terugkeer naar de moeder.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beëindiging van het gezag blijft in stand.

Uitspraak

22 december 2017
Eerste Kamer
17/01922
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,
t e g e n
1. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
gevestigd te Maastricht,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
2. [verweerder 2],
3. [verweerster 3],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
4. STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
gevestigd te Roermond,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als de moeder en verweerders respectievelijk als de Raad, de pleegouders en de GI.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak C/03/214303/FA RK 15-4113 van de rechtbank Limburg van 31 mei 2016;
b. de beschikking in de zaak 200.198.019/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 januari 2017.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De pleegouders hebben een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft bij brief van30 november 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
22 december 2017.