Belanghebbende vroeg in april 2015 een omgevingsvergunning aan voor het terugplaatsen van een dakopbouw met een geschatte bouwsom van €7.240 exclusief btw. De heffingsambtenaar stelde de bouwsom echter veel hoger vast en legde leges op van €1.580, later bij bezwaar verlaagd naar €1.072 op basis van een bouwsom van €35.399.
De leges waren berekend volgens een tarieventabel behorende bij de Verordening leges omgevingsvergunning 2015, waarin vaste bedragen gelden per bouwkostencategorie. Het hof oordeelde dat de heffing onredelijk en willekeurig was, maar liet enkele geschilpunten onbehandeld, zoals de vergunningplicht voor het terugplaatsen van de dakopbouw en de juiste bouwsom.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep in cassatie gegrond is, vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling van de onbehandelde punten. Tevens wees de Hoge Raad erop dat als het terugplaatsen vergunningvrij is, de legesheffing achterwege moet blijven.
De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het incidenteel cassatieberoep van belanghebbende af wegens termijnoverschrijding.