Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof bewezen verklaard dat hij samen met een ander opzettelijk een groot aantal hennepplanten teelde en bewerkte in een woning te Rotterdam. De bewijsvoering bestond uit politieprocessen-verbaal, een rapportage van Stedin Netbeheer BV over de duur van de hennepkwekerij, getuigenverklaringen en de eigen verklaring van verdachte.
Het hof concludeerde dat de hennepkwekerij gedurende een periode van circa 120 dagen in werking was en dat verdachte als eigenaar en bewoner van de woning kennis moest hebben gehad van de hennepteelt. Verdachte voerde verweer dat hij niet op de hoogte was en de woning had verhuurd, maar dit werd door het hof verworpen.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof geen nadere bewijsoverweging heeft gegeven over het medeplegen, terwijl de bewezenverklaring dat verdachte samen met een ander opzettelijk handelde niet zonder meer uit de bewijsstukken kan worden afgeleid. Hierdoor is het arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het medeplegen betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. De rest van het middel behoeft geen bespreking.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over medeplegen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.