Uitspraak
1.Geding in cassatie
3. Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2015, betreffende poging tot doodslag in het kader van een ripdeal. De Advocaat-Generaal stelde een middel van cassatie voor, maar concludeerde tevens dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De raadsman van de verdachte voerde verweer tegen het cassatieberoep, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden. Dit was omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld onvoldoende belang had of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.
De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 28 februari 2017, waarbij de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma betrokken waren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.