Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
12 december 2017.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De zaak draait om het feitelijke leiding geven aan een rechtspersoon die opzettelijk naliet melding te doen van ongebruikelijke transacties, in strijd met de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties.
De middelen van cassatie betroffen onder meer het opzet van de rechtspersoon, de vraag of verdachte feitelijk leiding gaf, de toepasselijkheid van de Landsverordening, het alsnog voldoen aan de meldplicht in een later stadium, en de gebruikte maatstaf bij de verwerping van het no-verweer. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 12 december 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof blijft in stand.