ECLI:NL:HR:2015:895

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
13/02985
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 1 SvArtikel 1 Landsverordening melding ongebruikelijke transactiesArtikel 11 Landsverordening melding ongebruikelijke transacties
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering feitelijk leiding geven in Antilliaanse zaak

In deze strafzaak tegen verdachte, geboren in Canada, betrof het een cassatieberoep tegen een arrest van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het Openbaar Ministerie (OM) stelde een cassatieberoep in, maar werd door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat de middelen van cassatie niet tijdig waren ingediend.

Het cassatieberoep van verdachte richtte zich op de motivering van de bewezenverklaring dat hij feitelijk leiding zou hebben gegeven aan verboden gedragingen van medeverdachte 3, die ongebruikelijke contante stortingen niet had gemeld aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. De bewezenverklaring steunde op administratieve gegevens, verklaringen van betrokkenen en het oordeel van het hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring met betrekking tot het feitelijk leiding geven niet voldoende was gemotiveerd en niet zonder meer uit de bewijsvoering kon worden afgeleid. Daarom werd het arrest vernietigd voor zover dit betreft en werd de zaak terugverwezen naar het Gemeenschappelijk Hof voor hernieuwde berechting.

De Hoge Raad verklaarde tevens het beroep van het OM niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van middelen van cassatie. De overige middelen van cassatie werden niet behandeld omdat het oordeel over het motiveringsgebrek voldoende was voor vernietiging.

Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 7 april 2015.

Uitkomst: Het cassatieberoep van het OM werd niet-ontvankelijk verklaard en het arrest vernietigd wegens onvoldoende motivering van feitelijk leiding geven, waarna de zaak werd terugverwezen.

Uitspraak

7 april 2015
Strafkamer
nr. S 13/02985 A
AJ/CeH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 28 november 2012, nummer
H 008/2011, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in Canada op [geboortedatum] 1972.

1.Geding in cassatie

Allereerst is beroep ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft een schriftuur ingediend, die echter eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen.
Voorts is beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde, ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof ingestelde beroep
Nu de Advocaat-Generaal bij het Hof niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat deze in het beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beoordeling van het eerste namens de verdachte voorgestelde middel

3.1.
Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
3.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
"[medeverdachte 3]. als degene die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties), in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 21 juli 2006, heeft nagelaten verrichte ongebruikelijke transacties (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties) onverwijld te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties),
immers heeft [medeverdachte 3]. nagelaten een aantal contante stortingen te hare kantore te melden aan voornoemd Meldpunt, het betreft de volgende stortingen:
- een bedrag van US$ 15.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 8.700,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 8.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 7.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 9.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 18.000,- (t.n.v. [A])
- een bedrag van US$ 15.000,- (t.n.v. [A])
aan welke verboden gedraging zij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven."
3.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Een geschrift, te weten een uitdraai uit de administratie van [medeverdachte 3] van het programma Account QuickReport, dat onder meer het volgende inhoudt:
CLIENTS
[A] Amount Balance
6/2/2006 Deposit 15.000,00 32.500,07
6/8/2006 Cash Deposit 9.000,00 41.500,07
6/8/2006 Cash Deposit 9.000,00 50.500,07
6/8/2006 Cash Deposit 9.000,00 59.000,07
6/16/2006 Cash Deposit 9.000,00 68.460,07
6/16/2006 Cash Deposit 9.000,00 77.460,07
6/16/2006 Cash Deposit 9.000,00 86.460,07
6/16/2006 Cash Deposit 8.700,00 95.160,07
6/20/2006 Cash Deposit 9.000,00 104.160,07
6/27/2006 Cash Deposit 9.000,00 116.160,07
6/27/2006 Cash Deposit 8.000,00 124.160,07
6/27/2006 Cash Deposit 7.000,00 131.160,07
7/5/2006 Cash 18.000,00 158.160,0
7/21/2006 Cash 15.000,00 173.160,07
2. Het door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (.200801081400.VER), gesloten en getekend op 8 januari 2008, inhoudende als verklaring van de verdachte [medeverdachte 2], kort samengevat en zakelijk weergegeven:
Vanaf mei 2004 tot heden ben ik weer directeur van [medeverdachte 3]. Tot de directie van [medeverdachte 3] behoren ook nog [verdachte] en mijn zus [betrokkene 1]. We hebben geen gescheiden verantwoordelijkheid binnen het bedrijf; we zijn alle drie gelijkelijk bevoegd.
VV: Vraag verbalisanten.
AV: Antwoord verdachte.
VV: Bent u het met ons eens dat u, [medeverdachte 3], een financiële dienst verleent als u gelden contant van cliënten in ontvangst neemt.
AV: Ja, dat klopt.
VV: Waarom heeft u, voor wat betreft de periode omstreeks juni 2006, de reeks van stortingen van 9.000 Dollar door [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3], niet aan MOT gemeld.
AV: Dat hoeft niet want wij kennen [betrokkene 2] en [betrokkene 3].
3. Het door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, gesloten en getekend op 25 juni 2007, inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte], kort samengevat en zakelijk weergegeven:
VV: Waar ging het geld dan heen dat contant door [betrokkene 2] of [betrokkene 3] werd gestort?
AV: Dit geld werd gestort op de bankrekening van [medeverdachte 3] Escrow Ltd. ten behoeve van [A]. Daarna werd het geld in opdracht van [betrokkene 2] door [medeverdachte 3] in een time deposit gestort waarna het na een bepaalde tijd met rente vrij kwam."
3.2.3.
Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:
"Op grond van de Beschikking indicatoren ongebruikelijke transacties inzake fiduciaire diensten met bijlage, in verbinding met artikel 11 van Pro de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties, hadden [medeverdachte 3] en haar directeuren alle contante transacties met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ten behoeve van [A] die de tegenwaarde van NAF. 10.000,- in Amerikaanse dollars te boven gingen, onverwijld moeten melden."
3.3.
Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende "aan welke verboden gedraging zij, verdachte, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven" niet zonder meer kan worden afgeleid uit 's Hofs bewijsvoering, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
3.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Uit het vorenoverwogene volgt dat als volgt moet worden beslist en de overige middelen geen bespreking behoeven.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk in het beroep;
vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen;
wijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie teneinde de zaak wat betreft het onder 2 tenlastegelegde op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2015.