Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
12 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld voor poging tot doodslag door te schieten op een woonwagen. De verdachte was in voorlopige hechtenis en stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een overschrijding van de redelijke termijn, wat een vermindering van de opgelegde straf rechtvaardigde.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze van tien naar negen jaar en zes maanden gevangenisstraf.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van tien naar negen jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.