ECLI:NL:HR:2017:3102

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 2017
Publicatiedatum
7 december 2017
Zaaknummer
17/01100
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsovereenkomst in kader opleiding leerling en betekenis cao

In deze zaak stond centraal of er sprake was van een arbeidsovereenkomst in het kader van werkzaamheden ten behoeve van de opleiding van een leerling, en welke betekenis aan de cao moest worden toegekend. De procedure begon bij de kantonrechter te Den Haag, waarna het gerechtshof Den Haag een beschikking gaf die door verzoekster in cassatie werd aangevochten.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de lagere instanties en behandelt het cassatieberoep dat zich richt op de uitleg van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop verzoekster reageerde.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie, mede omdat deze niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaken. Het beroep wordt verworpen en verzoekster wordt in de kosten van het geding in cassatie veroordeeld, waarbij de kosten aan de zijde van verweerster nihil worden vastgesteld.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verzoekster wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

8 december 2017
Eerste Kamer
17/01100
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. K. Aantjes,
t e g e n
[verweerster], handelend onder de naam [A],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 4761705/16-50040 van de kantonrechter te Den Haag van 10 maart 2016;
b. de beschikking in de zaak 200.192.790/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 december 2016.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 7 november 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
8 december 2017.