Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord‑Hollandvan 9 juni 2017, nrs. HAA 16/5417, 16/5418 en 16/5419, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 13 maart 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Noord-Holland en het verzet tegen eerdere uitspraken. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het cassatieberoep ontvankelijk is.
De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest is op 8 december 2017 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.