Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 17 november 2016, nr. 16/00115.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 november 2016 beoordeeld. De Hoge Raad concludeert dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee wordt voorkomen dat onnodige cassatieprocedures worden gevoerd die geen kans van slagen hebben.
Het arrest is gewezen door de raadsheer Fierstra als voorzitter, en de raadsheren Wortel en Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren, en is op 24 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.