Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 22 juni 2016, nr. BK-15/00341, betreffende de aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2016, waarin kosten van vervolging aan hem in rekening zijn gebracht.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is op 24 februari 2017 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Fierstra (voorzitter), Wortel en Beukers-van Dooren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Treuren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan kans op slagen.