Belanghebbende, een vennootschap, was betrokken bij bezwaar- en beroepsprocedures tegen aanslagen vennootschapsbelasting over drie boekjaren. In deze procedures was sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor belanghebbende aanspraak maakte op immateriële schadevergoeding.
Het hof had een vergoeding vastgesteld, maar hield geen rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure na heropening voor de schadevergoeding. De Hoge Raad stelde vast dat dit onjuist was en dat de redelijke termijn ook voor deze fase was overschreden.
De Hoge Raad paste het tarief van € 500 per halfjaar overschrijding toe en matigde de vergoeding vanwege de gezamenlijke behandeling van zaken van meerdere partijen. De Inspecteur en de Staat werden veroordeeld tot betaling van respectievelijk het aan de bezwaarfase en hogerberoepsfase toe te rekenen deel van de schadevergoeding.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de immateriële schadevergoeding betrof, wees de verzoeken toe en veroordeelde tot vergoeding van de immateriële schade en het griffierecht. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.