ECLI:NL:HR:2017:2843

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2017
Publicatiedatum
9 november 2017
Zaaknummer
16/04074
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 41 AWR
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in executiegeschil belastingplichtige

In deze zaak staat een executiegeschil centraal voortvloeiend uit een eerdere veroordeling van de belastingplichtige tot het verstrekken van inlichtingen. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van lagere instanties en bevestigt het oordeel van het gerechtshof Den Haag. Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen omdat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De procedure omvatte een vonnis van de voorzieningenrechter en twee arresten van het gerechtshof, waarop de Hoge Raad zich baseert. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad veroordeelt eiser tevens in de kosten van het geding.

De uitspraak benadrukt de rol van het hof als executie- en dwangsomrechter en bevestigt de rechtmatigheid van het verzoek tot het verstrekken van inlichtingen op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Hiermee wordt de positie van de Belastingdienst in executiegeschillen versterkt en wordt het belang van tijdige en volledige informatieverstrekking door belastingplichtigen onderstreept.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

10 november 2017
Eerste Kamer
16/04074
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. S. Bharatsingh en thans mr. J.H. van Gelderen,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.

1.Het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/09/488954/KG ZA 15-701 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 21 juli 2015;
b. de arresten in de zaak 200.176.541/01 van het gerechtshof Den Haag van 3 november 2015 en 10 mei 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 10 mei 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. C.M. Bergman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
10 november 2017.