Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
7 november 2017.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1976, stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 13 december 2016, waarin hij werd veroordeeld voor gekwalificeerde doodslag en diefstal met geweld, gepleegd tijdens overvallen op woningen van (hoog)bejaarde bewoners.
De advocaat van de verdachte diende middelen van cassatie in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De raadsman reageerde hier schriftelijk op.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de middelen niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom werd het beroep verworpen en bleef het arrest van het Gerechtshof Den Haag in stand. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen en het arrest van het Gerechtshof Den Haag is bekrachtigd.