Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:27

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2017
Publicatiedatum
10 januari 2017
Zaaknummer
14/03373
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldige betekening dagvaarding bij verblijf verdachte in buitenland

In deze zaak stond de vraag centraal of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend aan de verdachte die vermoedelijk in het buitenland verbleef. De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2010:BL0616) dat navraag bij de gemeente en in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) noodzakelijk is om te bepalen of het verblijf in het buitenland bekend is.

De verdediging stelde dat deze navraagplicht ook geldt wanneer in de Informatiestaat SKDB-persoon in de rubriek "laatst opgegeven woon- of verblijfplaats" een buitenland is vermeld zonder een specifiek adres, zoals in dit geval Groot-Brittannië. De Hoge Raad verwierp deze opvatting en bevestigde dat alleen bij een aanknopingspunt in de rubriek "huidig BRP-adres" navraag in de RNI verplicht is.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van acht weken en de mate van overschrijding geen rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden worden.

Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de dagvaarding is rechtsgeldig betekend.

Uitspraak

10 januari 2017
Strafkamer
nr. S 14/03373
LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 mei 2014, nummer 23/001811-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
2.2.1.
In HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0616, NJ 2010/198 is beslist dat wanneer volgens opgave van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (= GBA) - thans basisregistratie personen (= BRP) - de verdachte naar een ander land is vertrokken, eerst dan mag worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan of hij bij zijn vertrek de voor de uitreiking van de gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd.
Dit moet - thans - aldus worden verstaan dat ingeval de ten name van de verdachte gestelde Informatiestaat Strafrechtsketendatabank-persoon (= Informatiestaat SKDB-persoon) in de rubriek "huidig BRP-adres" een aanknopingspunt bevat voor het vermoeden dat de verdachte een woon- of verblijfplaats in het buitenland heeft, navraag moet worden gedaan of zijn adresgegevens zijn geadministreerd in de databank Registratie Niet-Ingezetenen (= RNI).
2.2.2.
Het middel berust op de opvatting dat bovenstaande verplichting tot het doen van navraag ook geldt indien in de Informatiestaat SKDB-persoon in een andere rubriek, te weten de rubriek "laatst opgegeven woon- of verblijfplaats", waarmee wordt gedoeld op het laatste bij de identiteitsvaststelling door de verdachte opgegeven adres, weliswaar een buitenland is vermeld doch niet een adres, zoals in dit geval de registratie: Groot-Brittannië. Die opvatting is echter onjuist.
2.3.
Het middel faalt.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 januari 2017.