Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
10 januari 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend aan de verdachte die vermoedelijk in het buitenland verbleef. De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2010:BL0616) dat navraag bij de gemeente en in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) noodzakelijk is om te bepalen of het verblijf in het buitenland bekend is.
De verdediging stelde dat deze navraagplicht ook geldt wanneer in de Informatiestaat SKDB-persoon in de rubriek "laatst opgegeven woon- of verblijfplaats" een buitenland is vermeld zonder een specifiek adres, zoals in dit geval Groot-Brittannië. De Hoge Raad verwierp deze opvatting en bevestigde dat alleen bij een aanknopingspunt in de rubriek "huidig BRP-adres" navraag in de RNI verplicht is.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat gezien de korte opgelegde gevangenisstraf van acht weken en de mate van overschrijding geen rechtsgevolgen aan deze termijnoverschrijding verbonden worden.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de dagvaarding is rechtsgeldig betekend.