Belanghebbende had in 2009 aan de Inspecteur medegedeeld volledige nadere inlichtingen te willen verstrekken over buitenlandse vermogens. Naar aanleiding van zijn aangifte stelde de Inspecteur vragen over de herkomst van vermogen op een Belgische bankrekening en gaf een informatiebeschikking wegens onbeantwoorde vragen, waaronder een vraag over afwijking van de wettelijke toedelingsregeling.
Het Hof oordeelde dat de informatiebeschikking terecht was omdat belanghebbende onvoldoende had geantwoord, maar de Hoge Raad stelt vast dat de vraag over afwijking van de wettelijke regeling geen feitelijke gegevens betreft en dus niet verplicht beantwoord hoefde te worden. Deze informatiebeschikking wordt daarom vernietigd voor zover deze vraag betreft.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte geen termijn heeft gesteld waarbinnen belanghebbende alsnog de gevraagde informatie kan verstrekken. Daarom wordt een termijn van zes weken gesteld vanaf de datum van het arrest.
De Staatssecretaris en de Inspecteur worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder griffierechten en kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiermee wordt het beroep in cassatie gegrond verklaard en de eerdere uitspraken van Hof en Rechtbank vernietigd.