Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv, dat bepaalt dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman moet worden gezonden, is nageleefd.
De raadsman had een stelbrief gestuurd waarin hij zich als raadsman van de verdachte aanmeldde en verzocht om toezending van processtukken. Hoewel uit het verzendrapport blijkt dat deze brief per fax naar het hof is verzonden, is deze brief niet bij de stukken gevoegd die aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Dit leidt tot het ernstige vermoeden dat de brief wel bij het hof is ontvangen maar aldaar is zoekgeraakt.
Verder blijkt uit de stukken dat geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman is gezonden. Noch de verdachte noch zijn raadsman zijn verschenen bij de terechtzitting in hoger beroep, waarna het hof de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat het niet naleven van het voorschrift uit art. 51 (oud) Sv een geldige behandeling van de zaak in hoger beroep in de weg staat.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van art. 51 (oud) Sv en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.