ECLI:NL:HR:2017:261

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
16 februari 2017
Zaaknummer
16/04212
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaald griffierecht

Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant betreffende aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet voor het jaar 2011. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Belanghebbende betaalde het griffierecht slechts gedeeltelijk en te laat, waardoor het niet volledig was voldaan.

De Hoge Raad gaf belanghebbende vervolgens de gelegenheid om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. De door belanghebbende aangevoerde redenen werden niet geaccepteerd als voldoende grond om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb Pro werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De Hoge Raad achtte geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het gedeeltelijk betaalde griffierecht van € 24 werd aan belanghebbende teruggegeven. Het arrest werd op 17 februari 2017 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-voldoening van het griffierecht.

Uitspraak

17 februari 2017
Nr. 16/04212
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 30 juni 2016, nrs. BRE 15/4425 en BRE 15/4426, betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 22 september 2016 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Belanghebbende heeft het voor het cassatieberoep verschuldigde griffierecht op 20 oktober 2016 gedeeltelijk betaald. Derhalve is het verschuldigde griffierecht niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 3 januari 2017, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn op 19 januari 2017 bij de Hoge Raad ingekomen brief aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.
Het door belanghebbende als griffierecht betaalde bedrag van € 24 wordt door de griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.