Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Gelderlandvan 8 juni 2017, nrs. AWB 16/3579 en AWB 16/3580, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 9 augustus 2016.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland en eerdere verzetuitspraak van dezelfde rechtbank. De Hoge Raad heeft beoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit komt doordat de belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017.
De beslissing betekent dat de eerdere uitspraken van de Rechtbank Gelderland in stand blijven en dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld vanwege procedurele gronden.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.