Belanghebbende werd in 2007 geïdentificeerd als houder van buitenlandse banktegoeden die niet waren vermeld in zijn belastingaangiften. De inspecteur legde in december 2007 een eerste serie navorderingsaanslagen op en startte daarna een procedure om aanvullende informatie te verkrijgen.
De tweede serie navorderingsaanslagen werd opgelegd in december 2008 met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Belanghebbende verstrekte nadien alsnog gegevens, waarna aanslagen en boetes werden verminderd. Het geschil betrof de vraag of de inspecteur voldoende voortvarend had gehandeld bij het opleggen van de tweede serie aanslagen.
Het Hof oordeelde dat de inspecteur de keuze had om niet alle aanslagen tegelijk op te leggen en dat de vertraging door het wachten op informatie en een civielrechtelijk kort geding acceptabel was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel dat stelde dat sprake was van onverklaarbaar stilzitten van meer dan zes maanden.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de handelwijze van de inspecteur in het kader van de verlengde navorderingstermijn.