Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:259

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 februari 2017
Publicatiedatum
16 februari 2017
Zaaknummer
16/02978
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 28 april 2016, waarin het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende werden behandeld over navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen voor diverse jaren in de inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en vermogensbelasting.

De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling oordeelde de Hoge Raad dat de ingebrachte middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering vereist was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Hiermee werd de uitspraak van het gerechtshof bevestigd en bleef de belastingaanslag en boetebeschikkingen in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de uitspraak van het gerechtshof.

Uitspraak

17 februari 2017
Nr. 16/02978
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 28 april 2016, nrs. 15/00506 tot en met 15/00513 en 15/00520 tot en met 15/00528, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (hierna: de Rechtbank) van 22 april 2015, nrs. HAA 13/2658 tot en met HAA 13/2661 en HAA 13/2671 tot en met HAA 13/2674, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1991 tot en met 1993 alsmede 1997 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de over de jaren 1992 tot en met 1994 alsmede 1998 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente en op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 april 2015, nrs. HAA 13/2662 tot en met HAA 13/2670 betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2000 tot en met 2008 opgelegde aanslagen in de IB/PVV, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.