Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
10 oktober 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk en verduistering in dienstbetrekking. Tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag stelde de verdachte cassatie in. De advocaat-generaal adviseerde vernietiging van het arrest, maar alleen voor wat betreft de strafduur, met vermindering van de straf.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsmotivering en innerlijke tegenstrijdigheid niet slaagden. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden door te late toezending van stukken door het hof.
Hierdoor werd de opgelegde taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, verminderd tot 95 uur, respectievelijk 47 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 10 oktober 2017.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de taakstraf van 100 uur naar 95 uur wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.