ECLI:NL:HR:2017:2515

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2017
Publicatiedatum
28 september 2017
Zaaknummer
17/00318
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen belasting

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, vermogensbelasting, boetebeschikkingen en heffingsrente over de jaren 1996 tot en met 2001. Eerder had de Hoge Raad het geding verwezen naar het Hof na vernietiging van een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam.

In het tweede cassatieberoep heeft belanghebbende verschillende middelen aangevoerd. De Hoge Raad heeft deze middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was nadere motivering niet vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.

Uitspraak

29 september 2017
Nr. 17/00318
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 30 november 2016, nrs. BK-15/00673 tot en met BK-15/00682, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1996 tot en met 2001 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, over de jaren 1997 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015, nr. 14/04051, ECLI:NL:HR:2015:1550, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (nrs. 12/00890 tot en met 12/00899), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers‑van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.