Uitspraak
1.Geding in cassatie
zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
(Kamerstukken II, 1998-1999 26 519, nr. 6, blz. 23)."
3.Slotsom
4.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over openlijke geweldpleging op 10 mei 2013 te Lelystad. Verdachte werd veroordeeld voor het toebrengen van lichamelijk letsel (bloeduitstortingen) aan het slachtoffer tijdens een groepsgeweldsincident.
De bewezenverklaring steunde op meerdere bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van het slachtoffer, getuigen en medeverdachten, alsmede een medische verklaring van een arts. De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat de zwaardere strafbedreiging van art. 141 lid 2 sub Pro 1 Sr alleen geldt voor de verdachte die zelf het letsel heeft toegebracht.
Omdat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat het door verdachte uitgeoefende geweld het letsel heeft veroorzaakt, is de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende bewijs dat verdachte het letsel heeft toegebracht en wijst zaak terug naar hof.