Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
26 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor het witwassen van een groot geldbedrag in Zwitserse Francs dat afkomstig was uit een misdrijf. De Hoge Raad behandelt het beroep en constateert dat de middelen van cassatie niet leiden tot vernietiging van het hofarrest, zodat het beroep voor het overige wordt verworpen.
De Hoge Raad stelt vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 70 dagen naar 63 dagen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en vermindert de straf dienovereenkomstig. Voor het overige wordt het beroep verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat het bewezenverklaarde feit kan worden gekwalificeerd als witwassen, en dat er geen schending is van artikel 6.2 EVRM met betrekking tot de bewezenverklaring.
De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 26 september 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 70 naar 63 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.