ECLI:NL:HR:2017:2458

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 september 2017
Publicatiedatum
22 september 2017
Zaaknummer
16/02982
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a, lid 1, Wet LB 1964
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat vergoeding voor niet uitoefenen van optierechten als vervreemding geldt

In deze zaak stond de vraag centraal of een vergoeding voor het niet uitoefenen van optierechten moet worden beschouwd als een vervreemding in de zin van de loonbelasting. Belanghebbende, een B.V., was het niet eens met de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over de periode van 1999 tot en met 2003, inclusief boete en heffingsrente.

Na eerdere procedures bij de Rechtbank Breda en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarbij het hof de aanslag handhaafde, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep ongegrond te verklaren.

De Hoge Raad volgde dit advies en verwees naar een gelijktijdig arrest (nr. 16/02984) waarin de juridische gronden uitgebreid zijn besproken. De Hoge Raad oordeelde dat de vergoeding voor het niet uitoefenen van optierechten inderdaad als vervreemding moet worden aangemerkt volgens artikel 10a, lid 1, Wet LB 1964. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Het arrest werd uitgesproken door de president, vice-president en drie raadsheren, en is van belang voor de fiscale behandeling van optierechten en daarmee samenhangende vergoedingen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat vergoeding voor niet uitoefenen van optierechten als vervreemding geldt.

Uitspraak

29 september 2017
nr. 16/02982
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X3] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s‑Hertogenboschvan 28 april 2016, nr. 11/00359, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Breda (nr. AWB 07/5049) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003 opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. I. de Roos, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 maart 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:265).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen falen op grond van hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 16/02984 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2017.