ECLI:NL:HR:2017:2362

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2017
Publicatiedatum
14 september 2017
Zaaknummer
17/01997
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herziening arrest afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende, woonachtig in Marokko, verzocht de Hoge Raad om herziening van een eerder arrest. De griffier stelde belanghebbende bij aangetekende brief in kennis van de verschuldigdheid van griffierecht en gaf een betalingstermijn van vier weken. Hoewel de brief werd ontvangen, werd het griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan.

De griffier gaf belanghebbende vervolgens nogmaals de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van een tweede brief aan te geven waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. De door belanghebbende aangevoerde redenen werden niet als gegrond beoordeeld, waardoor het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van de Awb.

Daarnaast bleek uit navraag bij het Landelijk Diensten Centrum dat geen betaling van griffierecht in november 2016 had plaatsgevonden, zodat ook geen reden bestond om het oorspronkelijke arrest vervallen te verklaren. De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen gronden waren voor proceskostenveroordeling.

Tot slot werd het griffierecht dat belanghebbende op 16 augustus 2017 betaalde, teruggegeven.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van griffierecht.

Uitspraak

15 september 2017
Nr. 17/01997
Arrest
gewezen op het verzoek van
[X]te
[Z], Marokko (hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 10 maart 2017, nr. 16/03953, ECLI:NL:HR:2017:391.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

Belanghebbende heeft niet domicilie gekozen in Nederland.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 24 mei 2017 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Blijkens de hierna te noemen brief van belanghebbende van 19 juni 2017 is deze brief door belanghebbende ontvangen. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 26 juni 2017, welke brief eveneens per gewone post is verzonden aan het door belanghebbende opgegeven adres in het buitenland, in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van deze brief mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Hetgeen belanghebbende in zijn brieven van 19 juni 2017 en 10 juli 2017 aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest. Het verzoek tot herziening moet derhalve op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.
Aan het vorenstaande wordt het volgende toegevoegd. Uit bij het Landelijk Diensten Centrum voor Rechtspraak te Utrecht ingewonnen informatie is niet gebleken dat belanghebbende in november 2016 in contanten een bedrag aan griffierecht heeft betaald ter zake van de procedure met nummer 16/03953. Er bestaat daarom evenmin reden het arrest waarvan herziening wordt verzocht, vervallen te verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.
Het door belanghebbende op 16 augustus 2017 als griffierecht betaalde bedrag van € 124 wordt door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende teruggegeven.