Uitspraak
[X]te
[Z], Marokko (hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 10 maart 2017, nr. 16/03953, ECLI:NL:HR:2017:391.
Hoge Raad
Belanghebbende, woonachtig in Marokko, verzocht de Hoge Raad om herziening van een eerder arrest. De griffier stelde belanghebbende bij aangetekende brief in kennis van de verschuldigdheid van griffierecht en gaf een betalingstermijn van vier weken. Hoewel de brief werd ontvangen, werd het griffierecht niet binnen de gestelde termijn voldaan.
De griffier gaf belanghebbende vervolgens nogmaals de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van een tweede brief aan te geven waarom het griffierecht niet tijdig was betaald. De door belanghebbende aangevoerde redenen werden niet als gegrond beoordeeld, waardoor het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van de Awb.
Daarnaast bleek uit navraag bij het Landelijk Diensten Centrum dat geen betaling van griffierecht in november 2016 had plaatsgevonden, zodat ook geen reden bestond om het oorspronkelijke arrest vervallen te verklaren. De Hoge Raad oordeelde verder dat er geen gronden waren voor proceskostenveroordeling.
Tot slot werd het griffierecht dat belanghebbende op 16 augustus 2017 betaalde, teruggegeven.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van griffierecht.