Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Noord-Nederlandvan 4 mei 2017, nr. LEE 16/3930 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 15 november 2016.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep in cassatie ontvankelijk is. Hierbij is overwogen dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is gewezen door de raadsheer Wortel als voorzitter, samen met de raadsheren Groeneveld en Beukers-van Dooren, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2017.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft. Het arrest bevestigt de strikte ontvankelijkheidstoets bij cassatieberoepen in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.