Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Overijsselvan 25 januari 2016, nr. Awb 15/1283, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 7 september 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld. Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet betaald.
Vervolgens heeft de griffier belanghebbende opnieuw in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet tijdig was voldaan, maar belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb moet het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren en op 15 september 2017 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.