Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
12 september 2017.
Hoge Raad
De aanvrager is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met de handel in cocaïne en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Hij verzocht om herziening van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2006, stellende dat mededader [betrokkene] met medeweten van justitie hem zou hebben uitgelokt en misleid om deel te nemen aan de drugshandel.
De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek voldeed aan de strenge voorwaarden voor herziening, waaronder het bestaan van een nieuw gegeven dat ernstige twijfel aan de rechtmatigheid van de veroordeling wekt. Uit de overgelegde processen-verbaal bleek dat [betrokkene] na opheffing van het IRT geen werkzaamheden meer verrichtte als informant en dat de overheid niet op de hoogte was van nieuwe drugshandelactiviteiten van hem of zijn contacten met de aanvrager.
De Hoge Raad concludeerde dat onvoldoende aannemelijk is dat de aanvrager door opsporingsambtenaren of personen voor wie politie of OM verantwoordelijk is, tot strafbare feiten is gebracht. Ook de achter gesloten deuren behandelde stukken en het ontbreken van aanwezigheid van de raadsman van de aanvrager bij het verhoor van [betrokkene] leiden niet tot herziening.
Daarom is het verzoek tot herziening afgewezen en blijft de veroordeling in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs dat de aanvrager door opsporingsambtenaren is uitgelokt tot deelname aan de handel in cocaïne.