ECLI:NL:HR:2017:2260

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 september 2017
Publicatiedatum
6 september 2017
Zaaknummer
17/00615
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over niet-betaling griffierecht wegens onvoldoende motivering bezorging

Belanghebbende, een vennootschap, was in verzet gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank inzake aanslagen vennootschapsbelasting en boetebeschikkingen voor de jaren 2010-2014. De Rechtbank verklaarde het beroep kennelijk niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet was betaald. Belanghebbende stelde dat zij de griffierechtnota en herinnering niet had ontvangen.

De Rechtbank oordeelde dat de herinnering aan belanghebbende was uitgereikt per aangetekende brief op een adres dat in het beroepschrift was opgegeven, en dat PostNL de brief op 12 augustus 2016 had bezorgd. De Hoge Raad stelt echter vast dat het bewijs van bezorging van PostNL een ander huisnummer vermeldt dan het adres waarop de brief was geadresseerd. Hierdoor is de motivering van de Rechtbank onvoldoende en onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt de uitspraak van de Rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens wordt de Staatssecretaris van Financiën gelast het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de Rechtbank wegens onvoldoende motivering over de bezorging van de griffierechtnota en verwijst de zaak terug.

Uitspraak

8 september 2017
nr. 17/00615
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 29 december 2016, nr. SGR 16/5649 V, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2014 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
De Rechtbank heeft bij uitspraak op de voet van artikel 8:54 Awb Pro belanghebbendes beroep kennelijk niet‑ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet is betaald.
2.2.
Na gedaan verzet, waarin belanghebbende heeft gesteld dat zij de griffierechtnota noch de daarop betrekking hebbende herinnering heeft ontvangen, heeft de Rechtbank overwogen dat belanghebbende bij aangetekende brief van 10 augustus 2016 eraan is herinnerd dat zij griffierecht moet betalen en dat deze brief is verzonden aan het adres [a-straat 1a] , welk adres door belanghebbende in haar beroepschrift is opgegeven en door de Rechtbank mocht worden gebruikt. De Rechtbank heeft vervolgens overwogen dat deze brief blijkens informatie van PostNL op 12 augustus 2016 is uitgereikt. De enkele stelling van belanghebbende dat zij die herinnering niet heeft ontvangen, is onvoldoende om aan die uitreiking te twijfelen, aldus de Rechtbank.
2.3.
Indien een stuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden (zie HR 10 juli 2015, nr. 15/00289, ECLI:NL:HR:2015:1774, BNB 2015/206).
2.4.
De Rechtbank heeft met betrekking tot de herinnering inzake de betaling van het griffierecht dit onderzoek uitgevoerd en in haar uitspraak haar bevinding vastgelegd dat die herinnering is uitgereikt op 12 augustus 2016. De tot het dossier van de Rechtbank behorende afdruk van het door PostNL vervaardigde document van bezorging van die herinnering vermeldt evenwel dat deze herinnering is uitgereikt op het adres [a-straat 1] . Dit adres is niet het hiervoor in 2.2 vermelde adres van belanghebbende. Het oordeel van de Rechtbank dat de brief van 10 augustus 2016 is uitgereikt – waarbij de Rechtbank klaarblijkelijk bedoelt: aan belanghebbende – is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De klachten slagen in zoverre.
2.5.
Gelet op het hiervoor in 2.4 overwogene kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
verwijst het geding naar de Rechtbank Noord-Holland ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.