Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
29 augustus 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 2007, waarin de aanvrager was veroordeeld voor moord op zijn schoonmoeder en poging tot moord op zijn echtgenote en neef. De aanvraag betrof de stelling dat het overlijden van het slachtoffer niet was veroorzaakt door een kogel, maar door metalen gefragmenteerde splinters.
Eerder had de Hoge Raad in 2011 een soortgelijke aanvraag afgewezen omdat dezelfde grond onvoldoende was beoordeeld. De huidige aanvraag steunt op dezelfde argumenten als toen. De Hoge Raad verwijst ook naar een eerdere beslissing uit 2016 waarin dit reeds werd bevestigd.
De Hoge Raad concludeert dat de aanvrager niet in zijn aanvraag kan worden ontvangen en verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens reeds beoordeelde grond.