Uitspraak
wonende te [woonplaats],
kantoorhoudende te Leiden,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 februari 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of eiser aansprakelijk kon worden gehouden als bestuurder van Exiton B.V. vanwege het niet tijdig voldoen aan de publicatieplicht van de jaarrekening, hetgeen volgens art. 2:248 lid 2 BW Pro een vermoeden van onbehoorlijke taakvervulling en een belangrijke oorzaak van het faillissement oplevert.
De procedure begon bij de rechtbank Den Haag met vonnissen van 31 juli 2013 en 8 januari 2014, waarna het gerechtshof Den Haag op 9 juni 2015 een arrest wees dat gedeeltelijk vernietigd werd en verwezen naar de Hoge Raad. Eiser stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, maar de Hoge Raad verwierp het beroep zonder nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De curator vorderde daarnaast wettelijke rente over de proceskosten, welke door de Hoge Raad aan eiser werden opgelegd. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. De Hoge Raad benadrukte de strenge eisen die aan de weerlegging van het vermoeden van onbehoorlijke taakvervulling worden gesteld, evenals de eisen aan een borgersbrief.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot op 10 februari 2017.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.