Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het gebruik van een pand aan de Vechtstraat 7 te Amsterdam, dat was gekraakt, reeds was beëindigd ten tijde van de kraak. De verdachte werd ervan beschuldigd op 22 juli 2014 samen met anderen wederrechtelijk het pand te zijn binnengedrongen en aldaar te hebben vertoefd, terwijl het gebruik door de rechthebbende was beëindigd.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat het begrip 'gebruik' in artikel 138a Sr beperkter moet worden uitgelegd dan in artikel 138 Sr Pro, waardoor eerder sprake is van beëindigd gebruik. Het Hof stelde vast dat het gebruik van het pand was beëindigd voordat onderhoudswerkzaamheden aan de buitenkant van het pand waren gestart en dat deze werkzaamheden niet betekenden dat het pand weer in gebruik was genomen.
De verdachte stelde in cassatie dat deze uitleg onjuist was en onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof over de uitleg van 'gebruik' in artikel 138a Sr onjuist is, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het Hof de feitelijke situatie doorslaggevend heeft geacht. Het oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en de Hoge Raad verwerpt het beroep. Hiermee blijft het arrest van het Hof in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het gebruik van het pand was beëindigd, waardoor de veroordeling voor kraken in stand blijft.