Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3 Slotsom
4.Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de kosten van de resterende termijnen van een telefoonabonnement als rechtstreekse schade kunnen worden beschouwd na diefstal van een mobiele telefoon. De verdachte werd veroordeeld voor diefstal van een Samsung Galaxy S4.
De benadeelde partij vorderde vergoeding van abonnementskosten over 16 maanden, terwijl het hof dit toewijst tot €560,-. Het hof oordeelde dat deze kosten rechtstreekse schade waren door de diefstal. De verdediging betwistte dit, stellende dat het abonnement met een nieuwe simkaart kon worden voortgezet en dat de vordering onvoldoende was onderbouwd.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat vergoeding mogelijk is indien er een voldoende causaal verband is tussen het bewezen feit en de schade. Het hof had echter onvoldoende gemotiveerd waarom de abonnementskosten als rechtstreekse schade moesten gelden, mede gezien de mogelijkheid om het abonnement met een nieuwe simkaart te gebruiken.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de vergoeding en de schadevergoedingsmaatregel betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De overige onderdelen van het arrest blijven in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof over de vergoeding van abonnementskosten en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.