ECLI:NL:HR:2017:1631

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 augustus 2017
Publicatiedatum
10 augustus 2017
Zaaknummer
16/06228
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslag omzetbelasting fiscale eenheid

Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit [X1] Beheer B.V. en [X2] B.V., was in geschil met de Belastingdienst over een naheffingsaanslag omzetbelasting voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006. Na eerdere procedures, waaronder een arrest van de Hoge Raad in 2015 waarbij de zaak werd terugverwezen naar het Gerechtshof Amsterdam, heeft het Hof uitspraak gedaan die nadien door belanghebbende in cassatie werd aangevochten.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde middelen niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad vond geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond verklaard en daarmee het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigd. Dit arrest bevestigt de rechtmatigheid van de opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting aan de fiscale eenheid over de betreffende jaren.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.

Uitspraak

11 augustus 2017
nr. 16/06228
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de fiscale eenheid [X1] Beheer B.V. en [X2] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 22 november 2016, nr. 15/00825, betreffende de aan belanghebbende over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 13 november 2015, nr. 14/05685, ECLI:NL:HR:2015:3295, BNB 2016/43, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (nr. BK‑13/00123), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.J. Vetter, advocaat te Amsterdam.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op
11 augustus 2017.