Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 28 maart 2017, nr. BK-16/00409, betreffende de vaststelling van de inkomensgegevens van belanghebbende voor het jaar 2014.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de vaststelling van zijn inkomensgegevens voor 2014. Het hof had op 28 maart 2017 uitspraak gedaan, waarvan een afschrift op 31 maart 2017 aan partijen is verzonden.
Het beroepschrift in cassatie werd echter pas op 26 mei 2017 ontvangen bij de Hoge Raad, terwijl de wettelijke termijn van zes weken volgens artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 12 mei 2017 was verstreken. Ook op grond van artikel 6:9 lid 2 Awb Pro was het beroepschrift niet tijdig ingediend.
De Hoge Raad heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld een verklaring te geven voor de overschrijding, maar de aangevoerde redenen boden geen grond om het verzuim te vergoelijken. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.